[vorige] [index] [volgende]

NOT 2001, a space odyssee

Nog nauwelijks bekomen van het WereldWijdWeg-gebeuren loop ik twaalf dagen later alweer op de Nationale Onderwijs Tentoonstelling rond temidden van duizenden lotgenoten. Op beurzen bekruipt me altijd een licht panisch gevoel. Zoiets van 'ik heb al te veel gezien, maar ik moet nog veel meer zien'. Het gevoel dat je krijgt wanneer je nog een kilo appels in een overvolle mand probeert te doen. Bij elke appel die je erin stopt valt er weer een andere uit.
Ik baan me een weg langs enorme uitgeversstands, kinderboekenstraten, ICT-pleinen met computerschermen van bioscoopformaat en terrassen voor schoolinrichters. Links en rechts gris ik folders weg, doe een greep in uitnodigende schalen snoep en drop en vul mijn verzameling pennen en aanstekers aan. In een plastic tas van Bobbejaanland tors ik een steeds grotere hoeveelheid oud papier met me mee. In een monomane drang om te scoren verzamel ik de geschriften van de Stichting Voorlichtingsbureau Margarine, OliŽn en Vetten, het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WO II, (niet te verwarren met de Stichting Gastdocenten WO II, werkgroep Z.O.-AziŽ), de Vereniging voor Ouders van Hoogbegaafde Kinderen (afgescheiden van het Landelijk Centrum Hoogbegaafdheid) en de Noord. Ned Stempel- en Leermiddelenfabriek. Terwijl ik bezig ben het voorlichtingsmateriaal van het Zeister Zendingsgenootschap in mijn tas te proppen breekt het klamme zweet me uit en ik begin me steeds benauwder te voelen. Waar ben ik mee bezig? Opeens valt mijn oog op een okergele stand. DE RUIMTE staat er met grote letters op. Met mijn laatste krachten strompel ik naar de stand. 'Dag meneer', zegt een middelbare mevrouw met hemelblauwe ogen die bijna uit hun kassen vallen van vriendelijkheid, 'wilt u eens een minuut voor uzelf nemen?' 'Dat doe ik al de hele dag' lieg ik. 'Dat zullen we dan wel eens zien' lachrimpelt ze en reikt mij een A-vijfje aan. 'Wilt u op deze vragen "ja"of "nee" antwoorden?' Op mijn hoede voor een new-age hersenspoeling bekijk ik de vragen: kijkt u er 's ochtends naar uit om een nieuwe werkdag te beginnen?; kunt u onder alle omstandigheden uw innerlijke rust bewaren?; bent u flexibel in uw werk?; ervaart u een optimale balans tussen gevoel en verstand?; ziet u conflicten als interessante leermomenten?; kunt u moeiteloos uw doelen realiseren?; komt u na een volle werkdag ontspannen thuis; voelt u zich gewaardeerd in uw werk?; bent u eerlijk naar uzelf en anderen?; geniet u voluit van het leven? Besmuikt geef ik het papiertje terug. 'Drie keer "nee", is dat veel?' 'Nee hoor, dan scoort u nog heel goed! U heeft alleen maar een Avatar-training in ReSurfacing nodig. Duurt een weekend en kost maar achthonderd gulden! Voelt u daar niks voor?'
'Krijgt u veel aanmeldingen?' tijdrek ik. 'O jazeker, sinds dat interview met inspecteur-generaal Mertens van een paar weken geleden loopt het storm. Geweldige man die Mertens. Hij noemde de docenten verstard en moedeloos. Vindt u dat eigenlijk ook niet een beetje van u zelf?' 'Ne-Nee hoor', antwoord ik verstard en loop moedeloos verder.
'Een paar honderdduizend mensen moet in therapie. Dit land heeft geen toekomst meer' somber ik al voortsjokkend. Als ik verslagen de uitgang opzoek zie ik opeens een neonbord:"Nulmeting". Ik gooi mijn tas met folders weg en been op de stand af. 'Ik voel me al een nul' zeg ik tegen een donkerblauw pak met badge 'dat hoef je heus niet meer te meten'. De man kijkt me verbaasd aan. 'Meneer, wij meten geen docenten; wij meten scholen, ik ben van de onderwijsinspectie.' 'Zo' roep ik uit 'en wat doet uw generaal Mertens dan!' Een blos van schaamte schiet over het gezicht van de man. 'Dan moet u bij onze voorlichter zijn; dat is mijn afdeling niet.' Ik besluit me niet te laten afschepen en stel de vraag aan een ander donkerblauw pak. De man kijkt me indringend aan. 'Ach meneer, u weet toch hoe die dingen gaan. Een telefoontje vanuit Zoetermeer naar Utrecht. Ja, Ferdinand, met Loek. Kun jij morgen in dat interview met de Volkskrant die lesboeren al een beetje prikkelen dat we meer zelfstandigheid willen op de scholen. Ja, Karin weet er ook van. Voor het hoofd stoten? Welnee, kost je hooguit wat ingezonden brieven. Waait wel weer over. Trouwens, jij zit toch in de luwte. Doe het nou maar, scheelt mij weer een hoop werk. Goed kerel, ik zie je zondag op de golfbaan.' Met een sardonische grijns wendt hij zich van me af. Verbijsterd loop ik naar buiten. Wat moet ik toch nog een hoop leren! 

De Raaf

[vorige] [index] [volgende]